Friday, January 31, 2014

Gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening Wetstraat (Brussel)



Op 30 januari 2014 is in het Belgisch Staatsblad het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 december 2013 verschenen tot goedkeuring van de gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening en de samenstelling van het aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest en vergunning voor de perimeter van de Wetstraat en haar omgeving.

De gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GGSV) Wetstraat heft voor de afgebakende perimeter Wetstraat Titel I van de bestaande gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) op en voorziet in eigen stedenbouwkundige voorschriften binnen deze perimeter. De verordening moet aan de hand van op maat gesneden stedenbouwkundige voorschriften het gepaste juridische kader bieden voor de transformatie van de perimeter Wetstraat in het kader van het Stadsproject Wet.

Vermeldenswaard is ook dat de gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening Wetstraat bepaalt dat het aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning binnen de afgebakende perimeter Wetstraat een zogenaamde aanvullende verklarende nota moet bevatten met specifieke informatie over het project. Zo moet worden aangetoond dat het project beantwoordt aan de regels inzake de inplanting, de maximale grondinname en de hoogte van de bouwwerken, moet de impact van het project op de natuurlijke lichtinval ter hoogte van de aanpalende openruimtegebieden en bouwwerken worden beschreven, …

Bouwverbod op grond van een Brussels beschermingsbesluit zonder regeling van de vergoeding van de waardevermindering schendt het eigendomsrecht



In een prejudicieel arrest van 23 januari 2014 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat de artikelen 232 en 240 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) het eigendomsrecht schenden zoals beschermd door artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), doordat zij geen regeling organiseren inzake de vergoeding van de schade geleden door een bouwverbod als gevolg van een beschermingsmaatregel die kadert in de bescherming van het Brussels onroerend erfgoed.

De overwegingen van het Grondwettelijk Hof zijn als volgt:

B.10.2. Hoewel de betrokken eigenaars, in het geval van een bouwverbod als gevolg van een beschermingsmaatregel, niet zijn onteigend, zijn zij niettemin fundamenteel geraakt in hun eigendomsrecht dat betrekking heeft op een terrein dat bestemd is om te worden bebouwd, met name wanneer, zoals te dezen, voordien een verkavelingsvergunning is uitgereikt.

Hoewel een dergelijke verkavelingsvergunning aan de houder ervan geen enkel onvoorwaardelijk of onveranderlijk recht om te bouwen verleent, wegens mogelijke wijzigingen van het vastgoedbeleid, kan zij niettemin een gewettigde verwachting het goed te kunnen gebruiken overeenkomstig die bestemming doen ontstaan.

B.10.3.Bovendien dient te worden onderstreept dat de ordonnantiegever ervoor heeft gekozen een subsidiëringsmechanisme in te stellen indien werken tot behoud moeten worden uitgevoerd aan een beschermd goed dat tot het onroerende erfgoed behoort (in het geding zijnde artikel 240 van het BWRO).

Terwijl die subsidieregeling de uitdrukking is van de zorg de gemeenschap te doen bijdragen in de kosten die inherent zijn aan het behoud van het beschermde onroerende erfgoed, en bijgevolg de lasten die in het algemeen belang aan de betrokken eigenaars zijn opgelegd te verlichten, is het des te minder verantwoord elke schadevergoeding te weigeren wanneer de last die door de beschermingsmaatregel aan de betrokken eigenaars is opgelegd, bestaat in een bouwverbod.

De verzoekende partijen voerden ook een schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu een schadevergoedingsregeling wel is voorzien in artikel 81 BWRO indien het bouwverbod voortvloeit uit een bestemmingsplan met bindende kracht. Afgezien van de overweging dat het bestaan van andere schadevergoedingsregelingen niet meebrengt dat een bouwverbod altijd het voorwerp moet uitmaken van een schadeloosstelling, is het Hof niet ingegaan op de vermeende schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het Hof achtte het niet nodig om de artikelen 232 en 240 BWRO ook te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu het Hof toch al besloten had tot een schending van artikel 16 van de Grondwet.


Tuesday, December 24, 2013

Brusselse Regering zet de Richtlijn Industriële Emissies 2010/75/EU om



In een besluit van 21 november 2013, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 december 2013, heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de Richtlijn Industriële Emissies 2010/75/EU omgezet voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daarnaast zet het omzettingsbesluit ook gedeeltelijk een paar andere Europese milieurichtlijnen om, namelijk de Richtlijn Batterijen en Accu’s 2006/66/EG, de Richtlijn Energie-efficiëntie 2012/27/EU en de Richtlijn Zwavelgehalte Scheepsbrandstoffen 2012/33/EU.

Het omzettingsbesluit is van toepassing op de industriële activiteiten omschreven in de hoofdstukken 2 tot en met 6 van het besluit, met uitsluiting van onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of het testen van nieuwe producten en processen. Het betreft de in bijlage I van het besluit gespecificeerde activiteiten voor zover deze de daarin vermelde capaciteitsdrempelwaarden overschrijden, stookinstallaties, afval(mee)verbrandingsinstallaties, installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt, en installaties die titaandioxide produceren.
Uitgangspunt is de milieuvergunningsplicht voor de exploitatie van installaties in de zin van het omzettingsbesluit, stookinstallaties en afval(mee)verbrandingsinstallaties. De toepasselijke milieuvergunningsregels zijn de algemeen geldende regels onder de Milieuvergunningsordonnantie en de uitvoeringsbesluiten daarvan, al worden voor sommige categorieën van installaties daarbovenop bijzondere voorwaarden gesteld inzake de samenstelling van het milieuvergunningsaanvraagdossier en bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden.

Per categorie van onder het omzettingsbesluit vallende industriële installaties zijn bijzondere milieunormen vastgesteld, zoals emissienormen en meetverplichtingen. Voor bijlage I-activiteiten stelt het omzettingsbesluit onder meer enkele fundamentele verplichtingen van de exploitant vast (preventieve maatregelen tegen verontreiniging, toepassing BBT, niet veroorzaken van significante verontreiniging, prioriteitsvolgorde afvalbeheer, doelmatig energiegebruik, voorkomen en beperken ongevallen, en nazorgverplichtingen na stopzetting activiteit), een periodieke rapporteringsplicht aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM), een periodieke toetsing en – indien nodig – bijstelling van de milieuvergunningsvoorwaarden door het BIM, de opstelling van een milieu-inspectieplan door het  BIM, en bijzondere bepalingen inzake de inspraak van het publiek gedurende de milieuvergunningsprocedure.

Het omzettingsbesluit is in theorie in werking getreden op 19 december 2013, al zijn talrijke overgangsbepalingen voorzien.

De Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verwacht in haar advies van 17 april 2013 dat het omzettingsbesluit slechts een beperkte impact zal hebben, nu enerzijds verscheidene omgezette bepalingen al van toepassing waren en anderzijds omdat de door de richtlijn beoogde activiteiten nauwelijks worden uitgeoefend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Nieuw Brussels uitvoeringsbesluit inzake de oplegging van stedenbouwkundige lasten



De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft op 26 september 2013 een nieuw uitvoeringsbesluit aangenomen inzake de oplegging van stedenbouwkundige lasten bij de verlening van een stedenbouwkundige vergunning. Dit uitvoeringsbesluit is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2013. Het nieuwe uitvoeringsbesluit vult de lacune op die was ontstaan door het vernietigingsarrest van de Raad van State van 5 juni 2013 dat het oude besluit van 12 juni 2003 vernietigd heeft.

Het uitvoeringsbesluit omschrijft enkele projecten waarvoor de verlening van de stedenbouwkundige vergunning verplicht gepaard moet gaan met de oplegging van een stedenbouwkundige last. Het betreft meer bepaald de verlening van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw, uitbreiding of bestemmingswijziging met werken van een gebouw of een deel van een gebouw bestemd voor (a) kantoren of activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen met een vloeroppervlakte van meer dan 500 m², (b) parlementaire raden en hun diensten, diplomatieke missies en erkende consulaatsposten met een vloeroppervlakte van meer dan 500 m², (c) overdekte of onoverdekte parkings met commerciële doeleinden die meer dan 24 parkeerplaatsen tellen, (d) handels- en groothandelszaken met meer dan 2.000 m² vloeroppervlakte, (e) hotelinrichtingen met meer dan 20 kamers, en (f) huisvesting met een vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m². De consideransen bij het besluit benadrukken dat de gemeenten en het gewest met toepassing van artikel 100 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) steeds vrij zijn om ook aan de verlening van stedenbouwkundige vergunningen voor projecten die niet op de verplichte lijst zijn opgenomen, stedenbouwkundige lasten te verbinden, op voorwaarde dat het evenredigheidsbeginsel wordt nageleefd en onder voorbehoud van de lijst van stedenbouwkundige vergunningen die vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige lasten.

De stedenbouwkundige lasten bestaan (a) ofwel uit de realisatie, de verbouwing of de renovatie van bepaalde structuren, met name van openbare ruimten, voorzieningen en gebouwen, van het wegennet en de groene ruimten, of van woningen, (b) ofwel geheel of gedeeltelijk uit de storting van een geldsom bestemd voor de uitvoering van de werking onder (a). Bij huisvestingsprojecten bestaat de stedenbouwkundige last bij voorkeur uit de realisatie, de verbouwing of de renovatie van omkaderde en conventionele woningen in de zin van het besluit. Het is wel zo dat ook wanneer de stedenbouwkundige last bestaat uit de daadwerkelijke uitvoering van werken zoals omschreven onder (a), de vergunninghouder een financiële waarborg dient te verlenen alvorens met de werken van start te gaan. De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning kan in zijn vergunningsaanvraag zelf een voorstel doen van de werken die als stedenbouwkundige last aan de stedenbouwkundige vergunning kunnen worden verbonden. De vergunningverlenende overheid is niet gebonden door dit voorstel.

De hoogte van de stedenbouwkundige last is afhankelijk gesteld van het soort project dat wordt beoogd en is bepaald per m² vloeroppervlakte. De waarde van de stedenbouwkundige last is per m² vloeroppervlakte het laagst voor huisvestingsprojecten en hotelinrichtingen. De hoogste waarden gelden per m² vloeroppervlakte voor betaalparkings, parlementaire raden/diplomatieke missies/erkende consulaatsposten en kantoren of activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen, waarbij de kantoren of activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen het hoogst pieken wanneer bepaalde vloer/terrein-verhoudingen worden overschreden.

Er geldt een vrijstelling van stedenbouwkundige lasten voor (a) de realisatie van omkaderde of conventionele woningen in de zin van het besluit, (b) de realisatie van groene ruimten, (c) de realisatie van overstapparkings, (d) voorzieningen voor onderwijs, cultuur, sport, gezondheidszorg, sociale voorzieningen of voorzieningen voor erkende erediensten of lekenmoraal, en (e) de bestemmingswijziging van een gebouw waarin kantoren of activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen ondergebracht zijn tot een woning of een voorziening voor onderwijs, cultuur, sport, gezondheidszorg, een sociale voorziening of een voorziening voor een erkende eredienst of lekenmoraal. Het besluit voorziet ook enkele gevallen waarin de waarde van de stedenbouwkundige last kan worden verminderd.

Het besluit omschrijft ook de uitvoeringstermijnen voor de uitvoering van de stedenbouwkundige lasten.

Het besluit is in werking getreden op 9 december 2013.